Fragment uit: ‘Afgesneden’ een monoloog over leiderschap en macht. (2002)

Ik drink mijn chocomel en vader rookt een cigaret.
Niet vertellen hoor. Zegt vader,
Eentje kan zo nu en dan geen kwaad. Dit is ons geheim.
En ik knik van ja.
Wie vertelt er nou een geheim dat hij met zijn vader heeft?!

Er komen twee dure mijnheren bij ons aan het tafeltje zitten. Ze schudden mijn vader de hand en strijken mij over mijn bol.
“Kleine potjes hebben grote oren” zegt er een. En hij kijkt naar mij.

Vanaf de schommel kan ik het tafeltje zien waaraan ze zitten te praten.
Hun handen vliegen door de lucht. Ik zie het goud van hun ringen en horloges schitteren in het zonlicht. Mooi. Het lijken net raven die weg wilen vliegen met hun prooi. Fladder fladder, fladder.
Ze fladderen met papieren en met gouden pennen. Ze fladderen met glaasjes bier, cigaretten en cigarettenaanstekers.
En pappa fladdert mee.

Niet doen pappa!! Eentje kan, zo nu en dan, geen kwaad, maar dit is al de tweede!!
Ik ren naar het tafeltje en trek mijn vader aan zijn arm. Niet doen Pappa! Niet doen!!
De mannen lachen en pappa lacht mee.
Eén van de mannen knipoogt naar me en geeft pappa nog een cigaret.
Wat moet ik nu doen!! Ons geheim wordt veel te groot!

Wacht zegt pappa. Kom maar even mee. En hij neemt me mee terug naar de schommel.
“Pappa is zaken aan het doen. En dan moet je wel eens een cigaretje aannnemen.
Om hogerop te komen moet je wel eens iets doen waar je eigenlijk geen zin in hebt.
Ik doe het ook voor jullie.
En nu eens kijken hoe hoog jij kunt komen”. En hij geeft mijn schommel een geweldige zet. Ik schommel zo hoog dat ik bang ben dat ik over de kop kan slaan.
En hij geeft me nog een zet en nóg een en nóg een.
Zo hoog!
Eng. Maar ook spannend. Want zo hoog ben ik nog nooit geweest.